Bovenstaand de Beemster voor de drooglegging. Kaart vervaardigd door Pieter Cornelisz Cort (1607, Beeldbank Nationaal Archief - NL-HaNA_4.VTH_2598)
In de Beemster hebben in de 17e eeuw vier eendenkooien gelegen. Op de kaart van Baltasar van Berckerode, gemaakt in 1640 zijn deze vier kooien ingetekend. De Beemster begon in 1612 droog te worden en werd begonnen met het uitgeven van kavels. Het idee was dat de Beemster een grote toevoeging aan het landbouwariaal zou doen, dit idee werd echter al snel achterhaald. Het bleek dat goede drooglegging in eerste aanleg niet werd waargemaakt. Het bleef allemaal nat en drassig, een ideale biotoop voor eenden en al snel werden de eerste kooien gebouwd. Er waren ver reikende maatregelen nodig om de Beemster alsnog droog te krijgen. Kades werden verhoogd sloten verbreed en verdiept en de hele polder werd gecompartimenteerd wat het droogmaken ten goede kwam. Landbouw was echter nauwelijks mogelijk en de veeteelt nam de overhand. Aan het einde van de eeuw werd de polder eindelijk droger, maar luidde daarmee ook het einde van de eendenkooien in. De laatst overgebleven kooi (Havicks Kooi) verdween kort na de eeuwwisseling begin 1700.
In de jubileum uitgave van 'De Nieuwe Schouwschuit' van het Historisch Genootschap Beemster heeft Linda Koopmans een uitgebreid artikel over deze vier kooien geschreven. Wij volgen haar verhaal.
De kavels waarop de vier kooien worden opgericht zijn in 1612 in handen van rijke Amsterdamse kooplieden. De aanleg van een kooi is een zeer kostbare aangelegenheid en alleen landeigenaren met veel geld waren in staat dit werk te bekostigen.
Op 28 oktober 1616 kreeg de heer Hongers, eigenaar van perceel DK 49, octrooi voor het oprichten van een Vogelkoy (Reeckeninge des Graefflicheyts Hollant). Onder de voorwaarde ieder jaar 3 pond aftedragen aan de rentmeester. Daarnaast moest hij zich houden aan de regels die behoorden aan het exploiteren van een vgelkoy. In 1628 kwam de kooi via een andere eigenaar in handen van Gijsbrecht de Coningh. De kooi veranderde vele malen van eigenaar, de laatste keer in 1657. De kooi raakte daarna in verval en verdween van de kaart van de Uitwaterende Sluizen uit 1658. De kavel behield wel de naam Vogelkoy.
De eerste eigenaar van DK 40 was de Amsterdamse zijdehandelaar Dionys Bave. Het is niet duidelijk wie de kooi heeft opgericht, tot 1622 ging DK 40 talloze malen over in andere handen. Havick van de Velde werd eigenaar in 1622. De kooi bleef in de familie tot 1681. In dat jaar werd het perceel gesplist en kwam het deel met de kooi in handen van Sijmen Kapjes. In 1720, na het overlijden van Sijmen is het perceel met de kooi gegaan naar de familie Eenhoorn. Onduidelijk is of de kooi toen nog in bedrijf was. In 1743 werd het perceel weer verkocht, in de akte was geen sprake meer van een kooi.
De kooi werd voor 1636 aangelegd, waarschijnliojk door Jan van der Straten de toenmalige eigenaar van het perceel AK 42. De kooi ging naar zijn overlijden naar Pieter Trip die getrouwd was met de dochter van Jan. De ergenamen van Pieter lieten in 1656 de nalatenschap taxeren en hierbij wordt al niet meer gesproken over de kooi.
Deze kooi is in dezelfde periode als de drie andere kooien gebouwd (rond 1620), maar ook de Oosthuizerkooi is geen lang leven beschoren en verdwijnt eind van de eeuw van de kaarten. De laatste aanwijzing komt uit 1712, maar dan is de kooi al lang niet meer in gebruik.